Het beschaafde publiek in Nijmeegs concertgebouw De Vereeniging zakt nog eens lekker diep weg in het rode pluche als stipt om kwart over acht de lichten dimmen en een artieste, met haar gitaar al om haar nek, moederziel alleen het podium op komt gelopen. “Hallo, ik ben Yori Swart”, zegt ze, “… en ik ben heel zenuwachtig!” Als beginnend artieste, nog bezig met het opnemen van het later dit jaar uitkomende debuutalbum, is het natuurlijk ook niet niets om voor een welhaast kometisch rijzende ster als Agnes Obel te openen. Yori doet dat echter allerminst onverdienstelijk. Haar zangstijl is van het soort dat tenenkrommend zou kunnen zijn, maar dat niet is. De combinatie van talloze uithalen en een veel aangesproken hoog register werkt namelijk alleen als deze goed uitgevoerd wordt. Gelukkig is dat vanavond, net als eind vorig jaar in Amsterdam, wel degelijk het geval. Nadat ze het publiek zelfs nog vrij aardig aan het zingen heeft gekregen, krijgt ze dan ook een welverdiend applaus. Weer een paar zieltjes gewonnen.

Twee dingen springen vanavond in het oog (en het oor), naast de kwaliteit van de muziek. Ten eerste is het duidelijk dat de lichttechnicus er zin in heeft. De sfeervolle belichting versterkt de intimiteit die zo duidelijk bij de ingetogen muziek van Agnes Obel hoort, maar eist zelf slechts bij vlagen de aandacht op. Ten tweede is het geluid ronduit uitstekend te noemen. De instrumenten klinken voor de verandering ook na versterking eens net zoals ze akoestisch klinken, met behoud van de complete klankkleur. De zang klinkt alsof het vandaag een onversterkt theaterconcert betreft. Als ook nog eens blijkt dat Agnes celliste Anne Ostsee mee heeft genomen, is het plaatje echt compleet. De altijd wat melancholische klanken die zij aan haar prachtige instrument ontlokt versterken het gevoel van bewolkte zondagmiddagen vol overpeinzingen dat Obel’s werk altijd al oproept nog eens extra.

Agnes Obel zelf is frêle, maar vol innerlijke kracht. De manier waarop zij twee handen om haar beker vouwt wanneer zij tussen haar nummers door iets drinkt, de onzekere blikken richting het donkere gat dat de zaal voor haar, vanuit al die lichtpracht, moet zijn, en de slecht verstaanbare, praktisch niet gearticuleerde praatjes die zij af en toe toch nog maakt doen vermoeden dat er veel verlegenheid in haar schuilt. De set-up op het podium en de manier waarop zij wat stijfjes achter de piano zit versterken dit gevoel. Naarmate de set vordert en het eerste langere instrumentale stuk achter de rug is, lijkt zij echter meer te aarden en losser te gaan spelen. Dat haar spel daardoor minder precies wordt is geen probleem, want dit was in het begin wellicht iets té strak in de maat. De bevlogenheid waarmee zij de rest van de set brengt weerspiegelt de trots en kracht die ook uit haar houding en ogen spreken. De ontwapenende meisjesachtigheid is vanaf dan enkel nog dat – ontwapenend.

Het is muisstil in de zaal. Haar werk, afkomstig van de EP Riverside en debuutalbum Philharmonics, gaat er bij het publiek in als zoete koek. Ook wordt een nieuw nummer gespeeld, dat voorlopig de naam ‘Fuel’, ‘Fire’, of ‘Fuel to Fire’ draagt. Als dit enige indicatie mag zijn van wat er nog gaat komen, is zij van plan om voorlopig op vergelijkbare manier door te gaan. In dit geval is dat een goed iets, zolang zij nog kleinere concertzalen aan blijft doen. Deze zijn toch bij uitstek geschikt voor haar, omdat wel degelijk een brug geslagen moet worden tussen artieste en publiek. Na afloop van haar set volgt een staande ovatie, een schouwspel dat zich na haar toegift herhaalt. De verwondering waarmee ze de relatief goed gevulde zaal in kijkt lijkt oprecht en de reactie van het publiek is zeker verdiend. De “ooh”s, “aah”s en “heel moois” zijn niet van de lucht. En zo is het maar net. Heel mooi.





















Je kunt geen reactie achterlaten.