Rock Werchter 2011: dag 2

Door Rick Dijs en Julien L'Ortye 9 juli 2011 1

Dat Kings of Leon niet het enige mooie is wat de Amerikaanse staat Tennessee (Nashville) heeft voorgebracht, blijkt wel als op de tweede dag van Rock Werchter de stadionrock – want zo willen de vier zich toch graag profileren – van Mona de weide wakker speelt. Met een album vol puike nummers op zak blijkt een optreden van een uur net iets te lang om iedere seconde te boeien, maar zeker genoeg om te overtuigen. Terwijl zanger Nick Brown zijn stem, die het live ook uitstekend doet, smeert met Jägermeister – het is tenslotte nog vroeg, staat de band toch wat statisch op het podium. En eigenlijk is dat het enige minpuntje aan het optreden. De band sluit dankzij stevige uitvoeringen van ‘Shooting The Moon’ en ‘Lean Into The Fall’ allerminst in mineur af en lijkt op weg naar een hele mooie toekomst.

Een oversized wit shirt, dito spijkerbroek, een kop vol sproeten en een sluik out-of-bed-kapsel. Nee, van de looks moet Lissie, een van de grootste ontdekkingen van 2010, het niet hebben. Maar wie heeft er looks nodig, wanneer je zo’n onwaarschijnlijke dijk van een stem hebt? Welgeteld drie en een halve minuut – de speelduur van openingsnummer ‘Cuckoo’ – heeft het Amerikaanse plattelandsmeisje nodig om te overtuigen. Er zal zat volk zijn geweest die zich heeft afgevraagd wie of wat Lissie was en wat ze nu precies op Werchter te zoeken had, maar ook die mensen pakt ze volledig in. De set van vijftig minuten kent eigenlijk geen enkel inkakmomentje, met dank aan de sterke setlist en haar fenomenale stembanden. Op aanvraag van het publiek sluit ze af met de Kid CuDi-cover ‘Pursuit of Happiness’, een nummer waar ze een toffe interpretatie aan geeft. Ja, met Lissie komt het wel goed. Zonder meer.

“I wanna lick you like a ripe piece of fruit” gilt Ruben Block door de microfoon voordat Triggerfinger ‘Cherry’ inzet als het volgende muzikale meesterwerk. Het lijkt alsof de leadzanger van Triggerfinger orgasmen om de enkele seconden krijgt. “Oooh. Aaah. Oooh. Honey Bunny, you make me feel so good!” Het zijn slechts luttele fragmenten van een bombastische show van de Belgische rockformatie. Triggerfinger laat op de Main Stage zien wat rock echt hoort te zijn: hard, smerig, rauw, maar toch verdomd sexy. ‘My Baby’s Got A Gun’ wordt tergend langzaam opgebouwd, maar toch weet de band de aandacht van het publiek vast te houden. Door die absolute klasse weet je dat met een formatie te maken hebt waar je u tegen zegt. De mokerslagen van drummer Mario Goossens galmen over de weide en zanger Block laat zien dat hij nog wat dansmoves in petto heeft. Het is één grote portie rauwe en zompige partij rock en het Belgische trio beheerst het live zo ongelofelijk goed dat het een verplichting is om ze van dichtbij te aanschouwen. Met ‘Is It’ sluit de band af, een nummer opgedragen aan Seasick Steve, en de ‘We want more’s’ hebben nog nooit zo luid geklonken.

Waar Lissie geen poespas nodig heeft voor een sterk optreden, is het bij Ke$ha nothing but de looks en de show. Dansers in veel te strakke hotpants met Chippendales-waardige bewegingen, een toetseniste met een torenhoge hanenkam, glitterkanonnen en azuurblauwe lippenstift bij eenieder op het podium: de Amerikaanse heeft goed afgekeken bij Lady GaGa. Dat het vocaal alle kanten op gaat, behalve de goede, zou je dan ook makkelijk door de vingers kunnen zien. En vooruit, laten we dat voor een groot deel ook maar doen. Het showelement compenseert en de nummers op zich zijn stuk voor stuk vreselijk aanstekelijk dat je eigenlijk toch wel met een brede glimlach naar het optreden staat te kijken. En wanneer de Marquee tijdens logische afsluiter ‘Tik Tok’ dan volledig ontploft, valt Ke$ha eigenlijk weinig te verwijten. Ze doet wat er van haar verwacht wordt, en dat doet ze best goed.

Toegegeven: de tweede plaat van White Lies genaamd Rituals is niet van bijster hoge klasse. Het is een middelmatige plaat, waar het onderwerp liefde veel voorbij komt. Ook is hun livereputatie iets wat je liever snel vergeet. En als dat nog niet genoeg is staat de band ook nog tussen Triggerfinger en The National in. Een hopeloze missie op het eerste oog. Toch is ‘Farewell To The Fairground’ een geweldige opener, een begin wat meer bands zouden moeten hebben. Het ingetogen enthousiasme van de band werkt aanvankelijk goed, maar het kan ook de frustraties bij het publiek opwekken. Clichématig begint de band met “And the next song is…” of de variatie “the next song we have here is…”. Het toont aan dat de heren uit Londen niet echt de interesse hebben om te spelen en nodig toe zijn aan een verdiende pauze. Wel positief is de reactie van leadzanger Harry McVeigh op het vele gegil van het publiek, wat voornamelijk uit jonge meisjes bestaat. Er komt regelmatig een glimlach voorbij, een glimlach die eigenlijk niet hoort bij de donkere muziek die de band maakt. Ondanks de sombere instelling en de sombere liedjes laat de band qua muziek wel een zonnig gezicht achter. Het klinkt allemaal strak en fijn en met hits als ‘Death’ en ‘Bigger Than Us’ laten de jongens zien dat ze live wel iets kunnen betekenen.

Voorafgaand aan het optreden zei Matt Berninger van The National: “Saaier dan ons wordt het niet”. En hij lijkt nog gelijk te krijgen ook. De frontman lijkt gedurende het optreden overal te zijn, behalve op het podium. Statisch, de handen in de zak en nog voordat sommige nummers afgelopen zijn, keert de bariton zijn rug alweer richting de festivalweide. Een veelgehoorde kreet was dat Berninger dronken zou zijn, iets dat zijn autistische bewegingen tijdens de instrumentale gedeeltes van de nummers zou verklaren. De band is al ruim een jaar onafgebroken op tournee en dat is bij vlagen ook wel te merken. De alles doorgrondende stem van de Amerikaan klinkt soms akelig onzuiver, iets dat we niet van de band gewend zijn. Tel daarbij op dat het veelal ongeïnspireerd oogt en de conclusie van een mislukt optreden is snel getrokken. Totdat Berninger tijdens de laatste minuten van het laatste nummer, ‘Terrible Love’, besluit het publiek in te duiken. Terwijl hij zijn microfoonkabel hardhandig over het publiek heen trekt en minstens zo’n vijftig meter door de menigte schrijdt, besef je je getuige te zijn van een heel bijzonder moment. Bijzonder genoeg om het tweede voorkomen in Werchter te redden.

Met Arctic Monkeys en (later op de avond) Kings of Leon staan er twee gevaarlijke namen op de affiche. Zo hebben beide frontmannen, zowel Alex Turner als Caleb Followill, het wel meer dan eens op de heupen (gehad), een ongeïnspireerde show tot gevolg hebbend. Vanavond is hier – gelukkig – niets van te merken, want we krijgen een fris, energiek en vooral erg sterk optreden van de Britten te zien. Met alweer de vierde langspeler, Suck It and See, op zak jagen de jonge honden in een set van een kleine vijf kwartier het indrukwekkende aantal van twintig nummers erdoor. Geopend wordt er met vuurwerk, zo horen we ‘Library Pictures’, misschien wel het beste livenummer van de nieuwe plaat, ‘Brianstorm’, ‘This House Is A Circus’, het is een ongekend sterke setlist die de poolaapjes spelen. Grote afwezigen zijn ‘Dancing Shoes’ en ‘Fake Tales of San Francisco’, maar eigenlijk maakt het helemaal niet uit wat de rockers uit Sheffield vanavond spelen. Ze worden volwassen en dat is goed te merken. Terwijl de zon langzaam aan de Belgische horizon verdwijnt, wordt ‘When The Sun Goes Down’ ingezet. Arctic Monkeys heeft het allemaal heel goed begrepen. Enige minpuntje is misschien de wat magere afsluiting in de vorm van ‘505’, maar ach, eigenlijk deert dat niemand. Volgende keer dan maar headlinen?

Als de zon neervalt is het in de Pyramid Marquee tijd voor wat harde bass. Drum ‘n’ bass wel te verstaan. De wildebrassen van Chase and Status mogen de tent laten swingen en ze slagen daar zeker in. Hoewel Chase and Status gewoon uit twee brave blanke mannen uit Londen bestaat, wordt het vandaag vergezeld door MC Rage, die de rol van publiekslieveling op zich neemt. Op zijn tijd gooit hij er een tekstflard uit, maar zijn belangrijkste rol bestaat uit rappen en er om de haverklap “make some fucking noise” gillen. Mensen komen naar de formatie om ze live te zien, om het zweet te voelen wat ze veroorzaken door hun elektronische bliepjes en bloopjes en door de harde drums van de drummer – of desnoods de drummachine, waar de drummer tevergeefs probeert bovenuit te komen. Niet om opgenomen artiesten te horen, die levensgroot worden uitgebeeld op videoschermen. Is het smaakvol? Niet echt. Is het plezierig? Dat wel. De doorsnee toeschouwer bij Chase and Status, de puisterige puber, heeft er geen problemen mee. Draai een cd’tje en zelfs zij gaan dan los in de warme Pyramid Marquee. Op het einde van de show komt zelfs zangeres Delilah opdagen, maar laten we daar maar niet op ingaan.

Zoekt u het maar eens op YouTube. Goose met ‘Words’ live op Rock Werchter 2011. Dit tien minuten durende spektakel toont de kracht en energie van Goose, iets wat duidelijk erg geschikt is om het weekend in te luiden. De Pyramid Marquee werd weggeblazen. Het podium ziet eruit als een Top of the Pops 80’s editie, maar het belet de band er niet van om veel in de spotlights te staan. In een moordend hoog tempo worden de beats op de luisteraar afgevuurd, waar zelfs menig fan van Kings of Leon nog oorpijn krijgt. De echte ster was niet eens leadzanger Mickael Karkousse, die toch de muziek liet spreken. Nee, de echte ster was de muziek zelf. Drie van de vier bandleden zaten vastgeplakt aan hun synthesizers, draaiden aan allerlei knopjes en leken helemaal gevangen te zitten in hun eigen wereld. Het geeft de imposante kracht aan van de elektropunk, een richting die laat horen dat je zelfs gigantisch los kunt gaan zonder dat er enige vorm van vuige rock-‘n-roll aan te pas komt. Gewaagd ook van de band om een pauze in te lassen bij ‘Hunt’. Het publiek mocht hurkend afwachtend op de heersende beat en daarna kapot gaan door de muziek en door medefestivalgangers. Ook nog een applausje voor de lichtshow, het zal mij niet verbazen als de EHBO een aantal mensen moest helpen met een epilepsieaanval. Wat zullen we doen heren? Volgend jaar maar afsluiter van de donderdagavond? Wel op de Main Stage natuurlijk.

Waar Turner er bij Arctic Monkeys veel zin in heeft, lijkt dat in eerste instantie bij de Kings of Leon-frontman niet het geval te zijn. De band komt op, zegt geen woord en zet ‘Radioactive’ in. Prima uitvoering, weinig op aan te merken, maar headlinerwaardig? Neen. Gestaag vordert ’t optreden, tot Caleb zich opeens verontschuldigt voor het feit dat hij zo’n dikke jas aan heeft. Ze moeten namelijk nog een paar optredens dit weekend. Vervolgens volgt er een rits ouder materiaal (“I know we don’t have to, but we want to”). Wat moet het een ontzettend fijn gevoel zijn dat, ongeacht wat je speelt, je eigenlijk geen echt slecht nummer kan spelen. Want dat is iets wat de rockers uit Nashville nimmer te verwijten valt, een slechte setlist. Ook al staat het gros van de weide te wachten op de grote hits, ze vermaakt zich wel degelijk. Dat de band niet altijd de uitstraling van een echte headliner geeft, valt ze te vergeven. De attitude is er, de liedjes, maar zeker ook de graphics. Terwijl we tijdens ‘Back Down South’ op de grote schermen worden meegenomen over langgerekte graanvelden, beleef je een van de zeldzame kippenvelmomentjes tijdens de anderhalf uur durende set van de heren. Het is al de vierde keer in vijf edities dat de band uit Nashville op de affiche pronkt en ze zijn dan ook heel dankbaar om weer van de partij te mogen zijn. Waar ze op Pinkpop compleet tegen hun zin in leken te staan, is dat hier in Werchter wel anders. Er kan zelfs nog een praatje vanaf bij de zanger waarin hij het publiek uitgebreid prijst. Ook Followill beseft zich dat het toegestroomde volk veel andere dingen met hun geld had kunnen doen en roemt de bezoekers om het feit dat ze een kaartje gekocht hebben. Kings of Leon en Rock Werchter, het blijkt opnieuw een prima combinatie.