Pinkpop 2014: dag 3

Door Julien L'Ortye 11 juni 2014 Reacties staat uit voor Pinkpop 2014: dag 3

Woensdag gehaktdag, maandag metaldag. U kent het wel. Met achtereenvolgens Mastodon, Rob Zombie, Biffy Clyro, Avenged Sevenfold en Metallica op het hoofdpodium, is de afsluitende dag van Pinkpop er niet bepaald een voor de tere zieltjes. Toch komen die aanvankelijk dankzij openingsact Clean Bandit prima aan hun trekken. Het is verdomde vroeg, helemaal met de kater van gisteren nog in hoofd en benen en de verzengende hitte die weer op het terrein neer daalt, maar desalniettemin heeft het Engelse collectief de tent alleraardigst gevuld gekregen. En dat allemaal dankzij de Jess Glyne-samenwerking ‘Rather Be’, een ongekende monsterhit, die niet eens veel om het lijf heeft. Een aanstekelijke, repetitieve synthlijn, wat violen en lekker ingezongen refreintje, zo simpel kan het soms zijn. Het is maar goed dat ze hem als slotstuk spelen, want heel onderhoudend is het verder allerminst. Dat soort kneiters heeft Clean Bandit overigens verder ook niet in petto en dus doen ze het maar met jaren ’90 classic ‘Show Me Love’, dat er als eveneens zoete koek in gaat. De violen zijn leuk en hadden we dit weekend nog niet eerder echt gehoord, maar daar houdt het dan ook ver bij op.

Als bovenstaande band ook maar een seconde van Mastodon gehoord hadden, was het ze waarschijnlijk dun en in meerdere kleuren langs de benen naar beneden gelopen. Maar stiekem werkt dat best goed, die gejaagde en venijnige sludge metal van de Amerikanen zo vroeg over het veld laten denderen, dat zagen we twee jaar geleden op Werchter ook al. Ze spelen de eerder genoemde kater probleemloos terug zijn hok in en lijkt misschien wel de beste set van de dag op het hoofdpodium neer te gaan zetten, onder meer dankzij het blokje nieuw werk met ‘Chimes At Midnight’ en ‘High Road’, dat een wezenlijk hoogtepunt van het optreden vormt. Ware het niet dat de mannen uit Atlanta, Georgia bij vlagen met een slecht tot waardeloos afgesteld geluid te kampen hebben, waardoor drummer annex machine Brann Dailor de straffe songs zo nu en dan onbedoeld volledig aan diggelen slaat. Dat klinkt bij deze muziek positiever dan het in dit geval is en dat is een behoorlijke doodzonde.

Wat je ook zonde zou kunnen noemen, is dat Kodaline dit jaar alwéér op Pinkpop staat. Vergald en verguisd in 2013 en een jaar later wijst er vooralsnog niet zo heel veel op dat dat veel gaat veranderen. De band heeft wat aan hun imago gedaan – die zonnebrillen doen het plots een stuk minder op een stel huilebalken lijken – en spelen iets vrijer en minder lafjes dan tijdens eerdere optredens, maar het materiaal is nog steeds niet bepaald om over naar huis te schrijven. Het gaat bovendien ook nog eens vrij vlot verloren op zo’n wei, zodra het geen ‘High Hopes’ of ‘All I Want’ betreft en niet door de eerste vijftig rijen aan vrouwvolk, vrouwvolk en nog eens vrouwvolk hartstochtelijk mee wordt geblèrd. Kodaline lijkt zich bij ieder optreden maar een doel te hebben gesteld en dat is mensen te raken; het is echter jammer te noemen dat dit vaak op de verkeerde manier gebeurt.

Hoe groot is het contrast van de tranen bij Kodaline naar Rob Zombie, die met zijn verdwaalde quasi-enge zwart/wit-monsters voor de titel ‘meest gezellige podiumaankleding van het festival’ tekent. Veel soeps is het niet wat de shockrocker op de planken legt, maar tegelijkertijd is hij wel de meest eenvoudig te behappen act die we vandaag op het podium te behappen zien. En zoals het Zombie betaamt, naait ‘ie een Metallica-fan nog even vakkundig een oor aan. De man in kwestie, gekleed in een shirt van de headliner, is nogal aan de dikke kant en de Amerikaan deelt hem mede dat hij het wel eens niet zou kunnen overleven, om vervolgens een fractie ‘Enter Sandman’ te spelen. Stiekem best geestig, hoewel – gezien alle collegafans in het voorvak – het op weinig bijval kan rekenen. Gelukkig kan zijn cover van Alice Cooper’s ‘School Is Out’ samen met afsluiter ‘Dragula’ dat wel, twee spaarzame hoogtepuntjes in een muzikaal gezien erg matte show.

Van wie dat absoluut niet te zeggen valt, is Stromae. De Brusselaar, die door het leven gaat als Paul van Haver, oogst al een tijdlang louter lovende kritieken en deze middag is dat weinig anders, integendeel. Hij ontpopt zich schijnbaar eenvoudig als een van de grootste acts, wat zeg ik, popsterren van het moment en zet een performance neer waar dit weekend niemand aan kan toppen. Zoals verwacht is de 3FM Stage aan de overzijde van de renbaan veel en veel te klein voor onze grote zuiderbuur: nooit eerder zagen we het zo ontzettend druk bij het podium. Dertig-, misschien wel veertigduizend man eten het hele optreden lang uit Stromae’s hand. Hij zingt loepzuiver, entertaint met het gemak van een Robbie Williams, heeft uitstekende visuals meegenomen en blijkt bovendien ook nog eens te kunnen acteren. Halverwege ligt hij ‘flauwgevallen’ op het podium, waarna hij door zijn bandleden backstage wordt getakeld en in een volledig andere outfit als een robot weer op het podium wordt gezet. Twee rollen die hij met de grootste overtuiging speelt. Jongste plaat racine carrée vormt vanzelfsprekend de hoofdmoot van het optreden, met ‘Papaoutai’, ‘Tous Les Mêmes’ en ‘Formidable’ die voor zover de Franse taalkennis van de aanwezigen daarin voorziet, vol overgave worden meegezongen. Stromae doet zijn anagram eer aan en is zonder twijfel de maestro van Pinkpop.

Even later verbazen we ons op het hoofdpodium weer eens over wat voor enorme geluidsmuur Biffy Clyro toch met slechts drie man op weet te trekken in vrijwel ieder nummer. De Schotten spelen een set die van begin tot eind behoorlijk boeiend is, niet in de laatste plaats omdat hits als ‘Many of Horror’ en ‘Bubbles’ vakkundig door de set zijn heen geweven. Slimme keuze, want hoewel het drietal allesbehalve gas terugneemt ten opzichte van diens voorganger(s), zorgt dat gegeven er wel voor dat ze niet enkel de aandacht van metalfans hebben. Mits die na de verschrikkelijk venijnige opening in de vorm van ‘Stingin’ Belle’ nog geen eieren voor hun geld hebben gekozen. In eigen land is Biffy Clyro een band van stadionformaat, een statuur die ze op basis van dit optreden niet misstaat. Hoogtepuntje in de set is het mokerharde ‘Black Chandelier’, een van de prijsnummers van het in 2012 verschenen Opposites, dat – evenals minstens de helft van de set – goed wordt mee gebruld. Deze mainstagespot is voorlopig de laatste in de ontwikkeling van de band, maar what’s next? Alpha? HMH’tje? De rek is er in ieder geval nog lang niet uit.

Dat is bij Jake Bugg, aan de overkant van de renbaan op de 3FM Stage, weinig anders. Waar vorige optredens nog wel eens aan de saaie en vervelende kant konden zijn, onder meer door een schijnbaar gebrek aan interesse vanuit de jonge Brit, zit er vanmiddag zowaar een beetje schwung in. Zijn twee muzikale collega’s, die hem al sinds het begin bijstaan en begeleiden, lijken iets losser te (mogen) spelen dan voorheen, waardoor de muzikale omlijsting van de toch al niet bijster inhoudelijk spannende songs iets aantrekkelijker wordt en het ook minder opvalt dat Bugg er voor het meerendeel van het optreden als een zoutzak bij staat. Het drietal dendert als een Thalys door de set heen, met liefst zeventien liedjes in nog geen uur tijd en hier en daar wat willekeurig gemompel van Bugg om het publiek te bedanken. Maar dat allerminst deren, Jake Bugg laat hier zien progressie te hebben geboekt en dat er nog veel moois zou kunnen komen.

Voor wie er zoveel moois reeds is gekomen, is Arcade Fire. Niet bepaald een band die je zou verwachten op Pinkpop, met bijvoorbeeld een Lowlands twee maanden later en het was dan ook even afwachten hoe het Win Butler deze keer allemaal zou bevallen. Doorgaans is het festivalpubliek in Landgraaf niet zo happig op dit soort acts, maar vanavond wordt het tegendeel bewezen. Wanneer de flinke (onweers)bui los barst en veel publiek de open? tenten achterin het veld op zoeken om daaronder te schuilen, staat het bij het podium nog rijendik met mensen, tot zichtbaar plezier van Butler, die zegt ons er wel even doorheen te gaan slepen. En hoe. De show die Arcade Fire hier neer zet is zo ongekend verbluffend goed en hoewel er een man of tien op het podium staan, zijn deze allemaal even goed op elkaar ingespeeld en is de geluidsmix zelfs tot achterin het veld fantastisch – iets dat, vooral bij het jongste werk, vrij noodzakelijk is. De Canadezen doen het erom wat betreft het noodweer dat even op het Pinkpopterrein huis houdt: nog geen halve minuut nadat ze ‘Ready To Start’ hebben ingezet, breekt er een wolk en begint het stevig te plenzen en te onweren. De band bouwt maar op en op en hoewel iedere song een climax op zich is, komt de uiteindelijke ontlading pas in ‘Here Comes The Night Time’, waarbij slierten confetti de lucht in worden geschoten om vervolgens aan verregende lichamen te blijven plakken. Het is Arcade Fire’s eerste festivalshow in zeven jaar en eentje waar we met gemak nog zeven jaar op kunnen teren. Eentje om nooit te vergeten, eentje waarvan je over een jaar of twintig op Pinkpop tegen elkaar zegt ‘hé, weet je nog? Arcade Fire in 2014, tijdens dat noodweer?’ en dat je elkaar aan kijkt en opnieuw het kippenvel van toen beleeft. Zo’n show.

 

Je kunt geen reactie achterlaten.