Jesu / Sun Kil Moon @ Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam

Door Koen Smilde 23 september 2016 Reacties staat uit voor Jesu / Sun Kil Moon @ Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam

Eerder dit jaar kwam het debuutalbum van Jesu en Sun Kil Moon uit. Achter dit project gaan industrial metalveteraan Justin K. Broadrick en folktroubadour Mark Kozelek schuil. In de reeks The Rest Is Noise, waar het Muziekgebouw aan ’t IJ genre-overschrijdende artiesten een podium biedt, brengen ze hun nummers voor het eerst in Nederland ten gehore.

Het Muziekgebouw blijkt de perfecte locatie voor deze unieke samenwerking. Een festivaloptreden van Sun Kil Moon eerder dit jaar op Down the Rabbit Hole omschreef Kozelek als ‘an absolute nightmare’ vanwege de babbelzieke toeschouwers. De theatersetting in Amsterdam zorgt daarentegen voor een doodstil publiek dat de telefoon braaf in de broekzak houdt en slechts aarzelend reageert op de praatjes van Kozelek tussen de nummers door.

De vier muzikanten openen met een nieuw nummer, over de bommen die het afgelopen weekend afgingen in New York en New Jersey. Kozelek zingt het die dag voltooide nummer gebogen over zijn tekstvel. Ook bij de andere nummers heeft hij aantekeningen nodig. Geen wonder, want zijn onnavolgbare teksten nemen een belangrijke plaats in de muziek van Jesu / Sun Kil Moon in. Het ene moment praat-zingt hij over zijn vriendin, zijn vader of de dood van Lou Reed en het andere moment spuugt hij met de dictie van een gangsterrapper zijn woede over de toestand van de wereld de microfoon in. Zijn grootste troef is hierbij zijn geloofwaardigheid. Als hij zijn medeleven betuigt aan all bereaved parents wordt het nergens pathetisch en wanneer hij de aanslagen in New Orleans veroordeelt klinkt hij oprecht kwaad. Kozelek, die nooit om een relletje verlegen zit, rekent en passant ook nog af met de King of Pop: ‘He’s bad, and he’s dead, and I’m glad’ en Jacksons dood ‘ain’t that fucking sad’.

De drie muzikanten spelen opvallend ingetogen. Pas tijdens het vierde nummer trapt Godfleshbrein Broadrick zijn effectenpedaal in om zijn handelsmerk, allesvergruizende gitaarklanken, ten gehore te brengen. Niettemin blijft het qua volume binnen de perken, waardoor Kozelek alle ruimte krijgt voor zijn teksten. Het is duidelijk wie de bandleider is. Kozelek bepaalt wat er gespeeld wordt, geeft het tempo aan en dirigeert. Hij kapt op een gegeven moment de drummer af omdat deze te snel speelt en brengt met zijn hand Broadricks feedbackende gitaar tot zwijgen.

Toch kost het soms moeite de aandacht bij de bijna drie uur durende show te houden. De vrij basale nummers bestaan vaak uit slechts een paar akkoordenwisselingen die eindeloos herhaald worden. Gelukkig weet de band interessante accenten aan te brengen. Zo is er de vocale ondersteuning van de bassist in meerdere nummers, de aan Black Sabbath-achtige riff in ‘Cry Me a River Williamsburg Sleeve Tattoo Blues’ en de fuzzsolo tijdens ‘Me-We’ – naar een gedicht van Muhammed Ali. Ondanks dat kan de band niet voorkomen dat een deel van het publiek, nageroepen door Kozelek, voortijdig de zaal verlaat. Ze missen onder meer een prachtige versie van ‘Micheline’ en hoe Kozelek het publiek plaats voor hem laat maken zodat hij het veertien minuten durende ‘Beautiful You’ vanuit een pluchen stoel ten gehore kan brengen.

Je kunt geen reactie achterlaten.