Steak Number Eight – The Hutch

?SteakNumberEightTheHutchROAR(Album – Indie/Suburban) De nieuwerwetse Belgische metal zwaargewichten van Steak Number Eight verpletterden in 2008 de voltallige concurrentie in Humo’s Rock Rally en mochten zich de jongste winnaars ooit noemen. Datzelfde jaar kwam debuutplaat When The Candle Dies Out… uit, in 2011 gevolgd door All Is Chaos. De overdonderende liveshow zorgde voor steeds meer naamsbekendheid en daarom werd er dan ook reikhalzend uitgekeken naar nieuwe plaat The Hutch.

De productie werd gedaan door Reinhard Vanbergen (Das Pop, Drums are For Parades), Matt Bayles (Mastodon, Isis) was verantwoordelijk voor de mixing, terwijl Howie?Weinberg (Deftones, Faith No More) tekende voor de mastering. Laat een aantal van die band nou juist de goede referenties zijn voor de sound van Steak Number Eight, al lijkt het viertal tijdens het proces meer opzoek te zijn geweest naar een eigen geluid. De plaat begint snoeihard met ‘Cryogenius’ en laat zich niet minder ruig opvolgen door single ‘Black Eyed’, maar gelijk is te horen dat de heren meer ruimte hebben gegeven aan de dromerige passages.

Zo laten de rauwe, messcherpe riffs zich opvolgen door sfeervolle gitaarklanken en wordt het betere schreeuwwerk afgewisseld met cleane vocals. Op ‘Photonic’ hebben deze dromerige klanken de overhand, maar wel zonder dat de harde gitaarpartijen niet uit het oog verloren worden. Zo bestaat het gros der nummers van The Hutch uit beide genoemde elementen, maar op slechts enkelen krijgt het dromerige de overhand.

De vier Belgen hebben op deze manier een prettige samensmelting van meerdere invloeden uitgevonden. De dromerige klanken doen soms in de verte denken aan Deftones, terwijl de sludge-tonen zo in in het rijtje van Neurosis en Isis passen. Voeg hier een aantal noisey uitbarstingen en post rock-gitaarpartijen en je hebt de blauwdruk voor de sound van Steak Number Eight. Afsluiter ‘Tearwalker’ is misschien wel de meest sfeervolle en cleane track die de heren tot noch toe hebben gefabriceerd, maar dit lange uitgesponnen epos zorgt voor een heel prettig einde van deze derde plaat. Deze jongelingen – de gemiddelde leeftijd zit nog steeds rond de 21 jaar – hebben een bizar volwassen plaat uitgebracht en weten zich prima te meten met de grotere namen in het genre. Om te zeggen dat ze al in hetzelfde rijtje staan gaat wellicht wat ver, daarvoor mag nog iéts aan de songwriting gedaan worden, maar er bestaat geen twijfel over het feit dat ze wel in dat rijtje komen.