Daniel Romano @ Lux, Nijmegen

“When she laugh me, she thought that I was hurting / she heard that I’ve been crying to her friends / but the truth I just got a new job acting / so any tear that rolls my cheek is just pretend.” Maak kennis met Daniel Romano. De Canadees maakte de afgelopen jaren drie albums vol tongue-in-cheek-country die invloeden van helden als Merle Haggard, Hank Williams en Gram Parsons verrieden. Dat zegt veel: Daniel Romano is dus een Canadees, niet opgegroeid in Georgia of Tennessee maar grotendeels op de boerderij van zijn grootvader in Ontario. De verhalen over vreemdgaande vriendinnen (“That’s The Very Moment”) en kippenhouders die hun vrouw verlaten (“Chicken Bill”) zijn kitsch, hartstikke nep. Tel daar die geweldige/verschrikkelijke albumhoes bij op en je snapt dat we zeer benieuwd zijn naar een liveoptreden. Vanavond staat de Canadees met zijn begeleidingsband The Trilliums in Lux.

Kitsch-country of niet, dat wil niet zeggen dat we Daniel Romano in de ‘Weird Al’ Yankovic-hoek moeten plaatsen. Daarvoor zijn de genoemde albums muzikaal te interessant: zo gaf AltCountry de laatste plaat de volle vijf sterren, schreef Nico Dijkshoorn een lofcolumn aan Daniel in De Volkskrant en schijnt Le Guess Who?- en Into The Great Wide Open-programmeur Johan Gijsen groot fan te zijn. Aan de andere kant is er ook live die act: de spijkerstoffen cowboy-outfit (zonder hoed weliswaar), de geschilderde gaten in de gitaar, het zwaar aangezette southern accent, de gouden letters van zijn naam tussen de gitaarfrets van zijn gitariste Jenny Berkel. En ook weer niet: op wat cynische lachjes van Daniel na speelt de band ogenschijnlijk voor zichzelf een set van ruim anderhalf uur, overwegend binnen de lijntjes blijvend of sporadisch – maar duidelijk gerepeteerd – “losgaan”. De op basis van het album verwachte grapjes en publieksinteractie blijven beperkt tot een korte staring contest van Daniel met de voorste rijen van het publiek, als alternatief voor het volgens hem verplichte toegiftriedeltje op en af het podium.

Als het dan ook muzikaal wat haperend begint – in plaats van gitaar horen we tijdens het halverwege afgekapte openingsnummer enkel een zoem uit de versterker – lijkt de uitverkochte bioscoopzaal een teleurstellende avond tegemoet te gaan. Maar vooral het tweede deel van de set is sterk: het tussen de 3/4- en 4/4-maat wisselende ‘Helen’s Restaurant’, Andy Irvine-cover ‘Never Tire of the Road’ (“geen idee waar het over gaat, ik vind het refrein gewoon mooi”), de hoopvolle Come Cry With Me-afsluiter ‘A New Love (Can Be Found)’ en enkele door Daniel solo vertolkte nieuwe nummers (geschreven op de boot naar Nederland) zorgen voor genoeg hoogtepunten. Een zich eigen gemaakte versie van Ramones-klassieker ‘Swallow My Pride’ laat onderwijl nog even de punkachtergrond van de zelfbenoemde King of Mosey zien.

Op dat soort momenten is het des te jammer dat de vijfkoppige begeleidingsband de rest van het optreden – ondanks een leadzang-intermezzo voor Jenny en een duet met diens zus en multi-instrumentaliste Kay – zo kleurloos en braaf op de achtergrond blijft. Storend zijn ook de eerder aangehaalde technische (geluids)problemen, die na het openingsnummer nog meerdere malen terugkeren: eerst is Kay’s accordeon niet hoorbaar, even later staat haar microfoon uit; om vervolgens halverwege het refrein net zo knullig weer aan te springen. Alles bij elkaar levert het een rommelig optreden op van een man bij wie we van tevoren al zoveel vragen stelden. Te rommelig om overal een antwoord op te krijgen (is het nou kitsch of country?), maar net zo vaak weer mooi genoeg om hem een tweede kans te gunnen. Met in het achterhoofd dat de show van vanavond eigenlijk de eerste try-out van het nieuwe Doornroosje had moeten worden, zien we hem daar binnenkort graag eens op volle sterkte.