TakeRoot Festival 2014

Door Robin Oostrum 15 september 2014 Reacties staat uit voor TakeRoot Festival 2014

Het Groningse (voorheen Assense) TakeRoot is al jaren één van de meest toonaangevende festivals binnen de genres americana, traditionele folk en country. Dit jaar is dat niet anders. Zomaar pronken daar namen als Joan Baez en Wanda Jackson op de programmering, die in de breedte varieert tussen oud (Slobberbone, Ethan Johns) en jong talent (Daniel Romano, John Fullbright, Robert Ellis). Ondanks het afzeggen van rockabilly-queen Wanda Jackson (ziek) besloot ROAR na enkele jaren afwezigheid weer eens richting Groningen af te reizen voor een uitgebreid verslag.

Ethan Johns
Ethan Johns

We beginnen in de kleine zaal bij Ethan Johns, producer van onder meer Kings of Leon (Aha Shake Heartbreak, Youth & Young Manhood), Laura Marling (alle platen) en Ryan Adams (Gold, 29, Heartbreaker). Diezelfde Ryan Adams produceerde op zijn beurt dan weer het eerder dit jaar verschenen tweede album (The Reckoning), waarop Ethan op vrij traditionele wijze het verhaal vertelt van (de fictieve) Thomas Younger en diens reis naar Amerika in de jaren vijftig van de negentiende eeuw.

Geheel solo staat hij nu in de Kleine Zaal van de Oosterpoort. De verhalenverteller is op zijn best als hij het klein houdt met fingerpicking-nummers als “Go Slow” en “The Roses and the Dead”, maar toont tussendoor ook zijn bluesy kant met “Talking Talking Blues” (hoewel in een ernstig lompe uitvoering met drumcomputer) en “Blackheart”. Als Ethan zich dan ook nog praatzingend rechtstreeks tot de luisteraar wendt op “The Fool” en “You Changed” lijkt Bill Callahan niet ver weg, al blijft de bebaarde Brit tekstueel – we tellen wel erg veel clichés van het niveau “it eats you up / and it fills your cup” – nog een paar stappen van diens niveau verwijderd.

Natural Child
Natural Child

Door naar een iets hoger tempo: Natural Child heeft ondertussen afgetrapt in de foyer. Op voorhand niet de handigste locatie van het festival: met de ingang naar de Grote Zaal aan één kant, een bar aan de andere kant en de doorloop van Binnenzaal naar Kleine Zaal er dwars doorheen lijkt dit podium gedoemd om ondergesneeuwd te worden in gekeuvel. We blijken een tikkeltje te sceptisch te zijn geweest, want de Oosterpoort is groot genoeg om dit eenvoudig aan te kunnen. Als bonus blijkt Natural Child ook nog eens een prima liveband.

De ooit uit een stonede filosofeersessie ontstane band gooide eerder dit jaar hoge ogen op SXSW en is daarnaast labelgenoot (bij Burger Records) van die andere livesensatie Together Pangea en ons eigen Mozes and the Firstborn. Zonder hun lap-steelgitarist Luke Schneider opereren de Nashvillians vandaag als viertal, van wie toetsenist Benny Devine bovendien pas na drie nummers aanschuift. Dat maakt niet uit, want het duurt precies drie nummers om bij te komen van de overtuigende samenzang van gitarist Seth Murray en bassist Wez Traylor. Dan heeft de band bovendien met “Don’t The Time Pass Quickly” al één van die zo groovende rootsy-garagenummers gespeeld die vierde album Dancin’ With The Wolves zo aanstekelijk maken. De combinatie met de springende orgeltjes maakt dit TakeRoot-optreden diverser dan en minstens zo vermakelijk als die – soms wel erg richting Rolling Stones neigende – plaat.

Daar zal lang over nagedacht zijn door de programmeurs: wie zetten we tegenover Joan Baez? “Pechvogel” is John Fullbright, 26 jaar, nota bene misschien wel de grootste americana-belofte van dit festival. Hij krijgt een kwartier voorsprong in de desondanks uitpuilende Kleine Zaal. Knap gezien dus van de TakeRoot-organisatie, want zo druk voelt het bij Joan Baez even later – weliswaar in de Grote Zaal – nooit. Toch móeten we een kijkje nemen bij de folkveterane, protestmars-initiator en mensenrechtenactiviste. De lange hippielokken zijn inmiddels ingeruild voor een wat korter en met name grijzer kapsel wanneer Joan Baez aan haar set van liefst 75 minuten begint.

Wat meteen opvalt: de 73-jarige Joan is hier nog gewoon als muzikante. Er lijkt absoluut geen sprake van een uitgemolken act die hier vooral staat vanwege haar naam en/of staat van dienst: nee, Joan zingt nog even eenvoudig (in Engels en Spaans) die hoge noten, speelt voortreffelijk gitaar en toont zich nog altijd betrokken bij leed van Zuid-Amerika tot Midden-Oosten. Nog altijd is de setlist doorspekt met covers: natuurlijk komt er weer veel van ex-geliefde Bob Dylan langs, zoals het vroeg in de set gespeelde “It’s All Over Now, Baby Blue”. Maar ook eigen versies van meer uitgemolken nummers als “Imagine” (John Lennon) en “The House of the Rising Sun” (Ashley & Foster, vooral bekend door The Animals) met tussendoor de losjes getokkelde hit “Diamonds & Rust” doen het uitstekend. De 75 minuten duren dan uiteindelijk wat lang, maar wie het zoete meezingfeestje voor lief neemt waant zich weer even helemaal vooraan bij een Vietnamdemonstratie eind jaren zestig.

Naast de Kleine Zaal, Grote Zaal en Foyer wordt er ook opgetreden in de Binnenzaal. De kleinste zaal van TakeRoot is snel vol en daarom lastig te bereiken wanneer de concerten eenmaal zijn begonnen, maar we weten toch even binnen te raken bij Matt The Electrician. Hoewel de Texaan vorig jaar zijn negende album in krap vijftien jaar uitbracht, speelt hij vanavond ook opvallend veel werk van oudere platen. Zoals “Milo” van Made For Working (2003), die hij halverwege handig laat overgaan in Paul Simons “You Can Call Me Al”. Begeleid door zijn eigen banjo en de Deense Ida Wenøe als tweede stem geeft Matt The Electrician één van de toegankelijkste optredens van de dag. De liedjes zijn wat te gelikt en de grappen (inclusief een door zijn achtjarige zoontje geschreven Yo Mama, echt waar) te slecht om verder heel veel indruk achter laten.

Gelukkig staat ondertussen Gregory Page in de Kleine Zaal te spelen. De Amerikaanse Ier werd geboren in Londen, woont tegenwoordig in Californië en is behalve singer-songwriter ook cabaretier, producent en filmmaker. Op TakeRoot is hij minstens zo lang bezig met verhalen vertellen als met het spelen van liedjes: wie daar tegen kan ziet een bijzonder optreden van een man wiens meest recente album One Way Journey Home (toch wel opvallend: geproduceerd door Jason Mraz) slim een week voor zijn Nederlandse tour in de Benelux verscheen. Naast nummers van die plaat zijn het vooral de verhalen – zichzelf ondertussen al tokkelend begeleidend op gitaar – die beklijven: zo stond Gregory eens een week te vroeg in een café in Dingo Creek en speelde hij voor één verdwaalde toeschouwer in Newcastle tijdens een tour door Australië. Niemand kijkt nog gek op wanneer Gregory een grammofoonspeler uit 1925 aanzet of even later een liedje met imaginair orkest speelt. Bijzonder optreden.

Opvallende afsluiter van de Grote Zaal is Daniel Romano, de Canadese country-popper die deze maand niet uit Nederland lijkt weg te slaan. Een dag eerder nam hij nog de (volgens hen die erbij waren) geslaagde TakeRoot-preparty in Vera voor zijn rekening, maar eerder deze week in Nijmegen stonden technische problemen een memorabel optreden in de weg. In een stampvolle Grote Zaal (voller dan bij Joan Baez) toont de (nep-)cowboy zich een opvallend waardige headliner, waarbij met het kraakheldere geluid in de Oosterpoort – in tegenstelling tot in Nijmegen twee dagen eerder – bijna alle liedjes raak zijn. “Helen’s Restaurant”, “The Lines In My Face”, “Two Pillow Sleeper” en opnieuw die Irvine-cover “Never Tire of the Road”: Daniel Romano maakt nummers die poppy genoeg zijn voor de grote(re) festivals, maar tegelijk een country-feeling hebben die prima past bij het meer traditionele TakeRoot-gevoel.

In de foyer is het dan aardig volgelopen met (mannelijke) veertigplussers. Slobberbone, echt? Jazeker, de band is terug van haar jarenlange hiatus. En dus is de vaste Slobberbone-fanclub weer bij elkaar gekomen voor de Amerikaanse working man country rock die volgens alle liefhebbers veel meer roem verdient dan ze ooit heeft gekregen. Eerlijk, what you see is what you get enzovoort enzovoort: alle clichés zijn al wel eens op Slobberbone losgelaten. De show op TakeRoot past echter prima in dat rijtje: de fans die voor Brent Best en zijn mannen komen zien 75 minuten een feest van herkenning met nummers als “Gimme Back My Dog” (volgens Stephen King het beste rocknummer ooit) en “Barrel Chested”. De nieuwsgierige jongere ziet een prima enthousiaste rockband, niks meer en niks minder.

Robert Ellis
Robert Ellis

In de Kleine Zaal is Robert Ellis dan al begonnen aan een love-it-or-hate-it-set ter afsluiting van het festival. Ook daar is het aanvankelijk druk, maar veel mensen trekken de wel erg matige teksten en gepijnigde gezichtsuitdrukkingen van de geboren Texaan niet. Een willekeurige quote: “you are steady as the rising sun / but like the moon, you keep on shining long after the day is done”. Wie daar tegenkan ziet wel één van de beste gitaristen van deze TakeRoot-editie aan het werk, plus enkele bluesgrass-covers van onder meer George Jones.

De sterkte van de TakeRoot-programmering blijkt ook dit jaar weer te liggen in de knappe mix tussen grote namen (Joan Baez en op papier de ziek afgemelde Wanda Jackson), acts met veel ervaring op middelgrote podia (Israel Nash Gripka, Daniel Romano, John Fullbright) en veelbelovende dan wel meer in de underground opererende muzikanten (Natural Child, Ethan Johns, Robert Ellis). De Oosterpoort leent zich bovendien meer dan uitstekend voor het – zeker voor indoor-begrippen – grootschalige karakter, zonder te druk (behalve in de Binnenzaal) aan te voelen. Al met al is TakeRoot een must voor iedere americana-liefhebber uit het Noorden, en de reis meer dan waard voor wie wat verder uit de buurt woont.

Je kunt geen reactie achterlaten.