London Calling 2015 #1: dag 2

Vlak voordat de massale Koningsdagvreugde met grote acts in de binnenstad van Amsterdam losbarst, geeft de eerste London Calling van 2015 het startschot voor een extra lang weekend. ROAR E-Zine doet uitgebreid verslag van de tweede dag van het weekend.

Een London Calling-avond begint zoals altijd met een tweetal korte optredens in de Finse sauna die men ook wel de bovenzaal van Paradiso noemt. Charlie Cunningham geeft de aftrap vanavond. De Britse young fella die qua stemgeluid aan Nick Mulvey (of in de verte aan Ben Howard) doet denken tokkelt op zijn gitaar alsof hij ieder moment een Spaanse serenade kan gaan brengen, maar geeft een eigen draai aan zijn gepingel: de sympathieke Oxfordse muzikant zorgt ook voor percussie door op de body van zijn gitaar te trommelen met zijn vrije vingers. Een vaardigheid die het doet lijken alsof er een klein begeleidingsbandje met conga’s en extra gitaren achter hem zit, maar Cunningham doet het toch echt alleen. Leuk, zo’n vaardigheid, maar het blijkt niet alleen een opstapeling van trucs en kunnen tijdens deze korte set; de Brit speelt met een dosis gevoel, dankbaarheid en enthousiasme die tegenwoordig bij (bijvoorbeeld) bovengenoemde Howard als sneeuw voor de zon verdwenen zijn. Meest recente single ‘Breather’ komt recht in de ziel van het publiek aan en het applaus liegt er niet om: Charlie Cunningham is het type bloke dat een hele vriendengroep onder het genot van een pint o’ lager aan de praat houdt in de kroeg, maar om 18:45 een volle bovenzaal van Paradiso bijna muisstil krijgt. Keep up the good work, Charlie.

De Britse Hannah Lou Clark woonde bij het schrijven van haar EP Silent Type boven een “Quaker House”, waar een vriendschappelijke religieuze gemeenschap samenkomt. Dat heeft zijn sporen nagelaten in de muzikale carrière van Clark: de EP-cover bevat een Mariabeeld, iedereen is in zwart-wit gekleed vanavond en Clark noemt zichzelf een sister/songwriter. Als de set aanvangt en de band nog backstage is, speelt Clark eerst alleen een tweetal nummers.  Na opkomst van de overige bandleden wordt ‘Silent Type’ ingezet, met een riff die verdacht veel op ‘Come As You Are’ van Nirvana lijkt. Clark ontleent haar sound gedeeltelijk aan bovengenoemde grunge en haar uiterlijk en feel aan (naast een Quaker House) bands als The Kills. De band heeft behoorlijk wat talent (vooral de achtergrondzangeres zorgt voor een prachtige, religieus klinkende vocale laag onder de stem van Clark zelf), maar lijkt niet geheel op elkaar ingespeeld, wat voor een aantal ritmische fouten zorgt. Vooral het tweemaal inzetten van een bossa nova-ritme op de sampler, waarna de drummer ergens op de helft van het nummer inhaakt, blijkt niet echt te werken. Alhoewel het laatste deel van de set (‘My Game’ is een prachtige ballad) beter blijft hangen dan het eerste, moet er nog wat geschaafd en gewerkt worden om een fatsoenlijke debuutplaat en een stevige livesound op de rails te krijgen. Het pad is in ieder geval al vrijgemaakt.

In de grote zaal trapt het indiebandje As Elephants Are af, allen gekleed in een zwarte strakke outfit, identiek tot aan de sieraden. De jonge Britten worden vaak in een adem genoemd met The Maccabees in hun vroege jaren, maar een vergelijking met doorgebroken indiebands als Peace of Coasts doet deze jongens meer recht. In het begin is al heel wat ambitieuze stadionrock à la Kings Of Leon te horen, maar het is de melodieuze hit ‘Crown’ die met kop en schouders boven de rest van de songs uitsteekt. Het is na al best wat airplay wachten op de 3FM-megahitbekroning en een nieuwe kennismaking met het Nederlandse publiek voor deze enorm dankbare jongens. De hitmelodieën ontbreken soms nog, maar muzikaal blijft het een makkelijk verteerbaar geheel voor het enthousiaste publiek.

Muziek voelen krijgt een heel nieuwe dimensie bij Jack Garratt, want allejezus, wat staat die bas hard. Garratt jaagt de mensen zonder oordoppen al tijdens het eerste nummer de zaal uit en van het publiek dat blijft kijken is na afloop drie kilo overtollig vet weggetrild. Alsof het volume nog niet intens genoeg was, is Jack zelf vanavond all over the place. Van een stotterend, ongemakkelijk en onzeker “hiiiiiii!” tot zijn heftige gedirigeer: Garratt blijkt een zeer moeilijk te peilen fenomeen. Perfectionistisch, dankbaar, gespeeld onzeker of gewoon een beetje nerveus? Een vraag die in meer hoofden schuilt vanavond, aan de verbaasde gezichten van het publiek te zien. Garratts mengelmoes van pianospel, vingervlug gitaartalent, vernuft samplegebruik, UK garage en elektronica klinkt fris, maar er zitten duidelijke (ritmische) fouten in het spel van Garratt, die alles zo precies en goed mogelijk wil doen en zo zijn eigen struikelblok wordt. En het mag dan wel fris zijn, maar Garratts performance, producties en looks hebben verdomd veel weg van Chet Faker. En kan Faker dit niet allemaal minstens zo goed, met een al gevestigde naam en liveshow? Of we hier te maken hebben met een wonderkind of een Faker-faker is nog even onduidelijk, maar misschien weet Garratt in de toekomst nog te verrassen.

Zelden zag London Calling zo’n strakke bezetting als bij het Frans/Finse electropopensemble The Dø. Vijf muzikanten, met voorop zangeres Olivia Merilahti (compleet met Amélie Poulain-kapsel en piloten-overall), die enorm veel zin hebben om de grote zaal plat te spelen met sublieme kwaliteitssynthpop. En dat lukt ze, want voor het eerst op deze avond gaat Paradiso los. De band bracht onlangs derde album Shake Shook Shaken uit en de uitschieters van dat album (‘Miracles (Go Back in Time)’, ‘Trustful Hands’) krijgen een doeltreffende en dansbare vertolking die nét iets anders klinkt dan op de plaat. The Dø valt in de smaak, en dat is goed te begrijpen. Hopelijk wordt Nederland vaker getrakteerd door de sublieme, nét niet exploderende electropop van deze band.