Down The Rabbit Hole 2015: dag 3

Vroeg uit de veren voor een haast even exclusief concert als dat van Iggy Pop. De veel geprezen Max Richter geldt als één van de voornaamste namen in het modern-klassieke circuit en treedt maar zelden op. Bij aanvang lijkt het optreden even in het water te vallen wegens een wederom rumoerig festivalpubliek, maar een medefestivalganger krijgt het publiek met enkele corrigerende ‘ssst’s’ toch stil. Gelukkig maar, want het zevental speelt voor de gelegenheid The Blue Notbooks integraal, aangevuld tot een uur met enkele stukken uit Infra. Het zijn toegankelijke stukken, veelal met de speelduur van een doorsnee popliedje. Muzikaal gezien kun je de briljante composities het best omschrijven als de liefdesbabies van Eno en Reich. Hier en daar maakt Richter gebruik van sferische elektronica, zoals de IJslandse componist Olafúr Arnalds dat ook doet. Richter blijft daarmee weg bij het sentimentele of gekunstelde, waar zijn mateloos populaire collega Ludovico Einaudi wel een handje van heeft. De warme master himself neemt de toetsen voor zijn rekening, en bedient zijn laptop terwijl hij goedkeurend naar het publiek kijk. Max Richter is geen prototype festivalact, als het voorspelbare Che Sudakak later op de dag, maar wat een schoonheid.

“Whatskebeurt?!” vraagt Natalie Prass herhaaldelijk tijdens haar concert in de Fuzzy Lop. Die ingefluisterde popiejopie-taal is maar moeilijk te rijmen met de fragiele maar charmante zangeres. Prass komt uit Nashville, speelde jaren in de band van Jenny Lewis, maar waagde zich eerder dit jaar aan een solocarrière. Haar gelijknamige debuut is één van de mooiste platen van het jaar en staat vol met blanke soulmuziek in de traditie van Dusty Springfield. Hoewel Prass en haar begeleidingsband er even in moeten komen, heeft deze groep zeker soul. Niet van het ‘opdringerige’ soort als Alabama Shakes, maar op een subtiele manier. Indrukwekkend is de tweede helft van het concert met ‘Bird Of Prey’ en ‘My Baby Don’t Understand Me’. Ook enkele nieuwe liedjes blijken goed uit te pakken. In ‘Jazz’ swingen de gitaar- en basloopjes, die vanmiddag wel wat te hard afgesteld staan. Andere nieuweling ‘Last Time’ stelt zich kandidaat voor het meest ontroerende moment van DTRH 2015. Het doet vermoeden dat we nog veel moois gaan horen van Prass in de nabije toekomst.

Ook Other Lives stelt het geduld van DTRH op de proef. Hoewel hun backdrop dit keer wel op tijd in de Teddy Widder staat – wat op Glastonbury eerder dit weekend niet het geval was – bloeit de set pas iets voor de helft echt op. Alle vijf de bandleden zijn multi-instrumentalisten, constant roulerend van instrument. Het is een echt muzikantencollectief met melancholische liedjes die uitblinken in wijdse arrangementen, doorspekt met onverwachte wendingen en onderhuidse spanning. Soms doet Other Lives qua sfeer aan Efterklang, The National en/of Radiohead denken. Vrolijk is de sfeer niet. Hier en daar oogt de band zelfs wat droevig. De oudere liedjes van Tamer Animals blijven daarbij de beste van de set, hoewel het nieuwe ‘2 Pyramids’ het ook goed doet. In het nieuwe materiaal van Rituals doet de sympathieke groep soms net wat teveel haar best om ‘hip’ te klinken, net als Alt-J op het soms geforceerde This Is All Yours. Die soms onnodige moeilijkdoenerij doet hier en daar afbraak aan de sprookjesachtige live-ervaring. Niet nodig.

Geluidstovenaar Andrew Bird speelt de eerste show van zijn nieuwe tournee op DTRH. Vanaf de jaren negentig galmt de naam van Bird rond in het alternatieve circuit. Niet gek als je hem aan het werk ziet: Bird is naast een klassiek geschoolde violist, ook een virtuoos fluiter. Ongekend, zo achteloos eenvoudig als hij loepzuivere toonladders uit zijn mouw schut. Ook zijn luchtige, zachtaardige liedjes blijven live overeind. Het zijn gelaagde en onvervalste luisterliedjes die hun urgentie door de jaren heen niet verloren hebben. Ook de jongste zijn weer fraai. Zo kwetsbaar als op plaat komt Bird live niet over. Samen met een bassist en drummer produceren ze genoeg geluid om overeind te blijven, hoewel de Hotot een te massale setting is voor Andrew Bird. Hij lijkt zich terecht niet op zijn gemak te voelen, en komt ongetwijfeld nog beter tot zijn recht in een intiemere concertzaal.

Ghostpoet speelt wel in zo’n intieme setting, en dat komt de show ten goede. Obaro Ejimiwe is met zijn donkere bariton het gezicht van deze strakke band, en timmert hard aan de weg. In vier jaar tijd bracht Ghostpoet drie albums uit, waarvan Shedding Skin van dit jaar de meeste recente is. Ejimiwe heeft inmiddels meer dan genoeg materiaal om een vol uur te boeien, en dat doet hij door samen met zijn veelzijdige band continu te wisselen tussen spoken word, hiphop, electro en rock. Grenzeloos wisselt de woordkunstenaar de muziekstijlen met elkaar af. De sfeer die Ghostpoet neerzet is magistraal: zo onderkoeld en mysterieus dat een act als Massive Attack soms door de liedjes heen schijnt. Hier en daar een scheurende gitaarsolo is genoeg om mensen aan het dansen te krijgen. Het optreden is zo organisch en bezield dat het zeker geen straf is dat de band over tijd speelt. Hoewel de gefrustreerde stagemanager deze mening niet zal delen.

Laatbloeier Seasick Steve zwerft al twee dagen overal en nergens op het festivalterrein rond. Hij is te spreken over het festival en noemt DTRH zelfs “the best festival in the world” vanwege de rustige sfeer en… de mooie vrouwen. Over naar de muziek: voor zijn 75 lentes jong klinkt de publieksfavoriet met zijn rootsy bluesrock nog altijd goed. Wold weet als geen ander hoe hij op een krakkemikkige gitaar met twee snaren simpele maar doeltreffende riffjes kan schrijven, maar valt op het gebied van veelzijdigheid een beetje door de mand. “You can’t teach an old dog new tricks”, zong hij ooit al eens. Heel toepasselijk, want wat de Amerikaan doet kan zeker een trucje genoemd worden. Dat kunnen we concluderen op basis van zijn onlangs verschenen album Sonic Surfer, maar ook op basis van zijn liveoptreden. De overgangen tussen de liedjes verlopen helaas ook aan de stroeve kant, wat de vaart uit het concert haalt. Steven Gene Wold geeft een degelijk concert, waar geen enkele verrassing in te ontdekken valt.

The War On Drugs speelt vanavond voor de eerste keer in haar bandgeschiedenis een headlinershow. Op basis van achtereenvolgens Slave Ambient (2011) en Lost In The Dream (2014) is dat geheel terecht, maar desondanks is TWOD zichzelf gebleven. Al vroeg in de ochtend staat audiofiel Adam Granduciel tot in het eindeloze te soundchecken. Het komt aan op finetuning, maar het geluid is subliem in de Hotot. Toch lijkt TWOD een beetje als de anticlimax te komen van het festival, zeker omdat veel rabbithollers tegen het einde van het festival al huiswaarts zijn gekeerd. Aanvankelijk is de band met veel herschreven oude liedjes interessant, maar ‘Arms Like Boulders’ en ‘Best Night’ halen het in deze versies jammer genoeg niet bij het origineel. Het zullen de zenuwen geweest zijn, want gaandeweg komt Granduciel steeds beter in zijn rol als frontman. Niet eerder hoorde we zo’n prachtige uitvoering van half hitjes ‘Red Eyes’ en ‘Under The Pressure’, dat massaal meegeklapt wordt. Hoogtepunt is een buitensporig mooie uitvoering van ‘In Reverse’. Het is natte-ogen-werk waarbij Granduciel in de grote Hotot de hele tent het zwijgen oplegt. Zo’n intiem moment dat je het gevoel hebt alleen met Granduciel in een ruimte te staan. Dat gebeurde niet eerder in de Hotot dit weekend. Wegblijvers krijgen ongelijk, want Granduciel en co spelen hier niet alleen hun grootste, maar ook hun beste concert op Nederlandse bodem. Eerdere Nederlandse festivalshows als Le Guess Who? (2014) en Best Kept Secret (ook 2014) waren aardig maar zijn niks bij dit magistrale en volwaardige concert bij een fraaie zonsondergang. Hiermee kunnen ze zowaar de stadions in, zonder aan kwaliteit in te boeten.

Zo komt het uiteindelijk nog helemaal goed met Down The Rabbit Hole, dat dit jaar grote stappen heeft gezet als festival. De programmering bleek – inderdaad – geweldig, maar het festival zelfs was ook fraai opgezet door middel van veel randactiviteiten. Er viel altijd wat te beleven, de sfeer was ontspannen en vrolijk en het publiek was – afgezien van de grijze fans voor Pop en Smith – jong en hip. Om terug te komen op de vergelijking tussen Down The Rabbit Hole en Best Kept Secret: uw scribent was op beide festivals aanwezig en kan concluderen dat de twee evenementen (voorlopig) prima naast elkaar kunnen voortbestaan. Dit jaar ving het kleurrijke DTRH de fraaiere vissen uit de vijver, ten koste van de (sub)headliners van het relatief wat meer sobere Best Kept Secret. Ook ligt bij BKS de nadruk meer, bijna alléén op de muziek, en bleek het publiek daar zo nu en dan wat meer geïnteresseerd in de bandjes. Zeker op vrijdag waar het DTRH-publiek een verschrikkelijke gastheer voor onder meer Damien Rice en Ryan Adams was. Gelukkig kwam de geïnteresseerde houding ten opzichte van de muzikanten op zaterdag en zondag terug. Zo beleefde het zonovergoten Down The Rabbit Hole een prachtige tweede editie, waar het nog verrekte moeilijk is om het muzikale hoogtepunt aan te wijzen. Dan doe je als organisatie iets heel goed.

1 Comment

Comments are closed.